In uw boek zegt u dat u het belangrijk vond om de ziekte een plek te geven in uw leven, om er tijd voor vrij te maken, maar ook niet te veel. Hoe vond u het juiste evenwicht?

“Het liefst wilde ik het helemaal geen plek geven en gewoon verder blijven doen. Normaal leid ik een erg actief leven. De schok was dus des te groter omdat ik plots gedwongen werd om er tijd voor vrij te maken. Je kan borstkanker immers niet zomaar wegduwen en doen alsof er niets aan de hand is. Uiteraard was het niet evident om daar een goed evenwicht in te vinden.”

“Daarbij kwam nog dat ik er niet ziek uitzag en me ook niet ziek voelde. Mensen denken dan nogal gemakkelijk dat er niets mis is met je, maar zo zwart-wit is het helemaal niet. Soms wilde ik dat men me wat meer ontzag. Ik had immers niet de veerkracht die ik normaal heb. Ik kan dan ook heel goed begrijpen dat sommige patiënten ervoor kiezen om tijdens en na de behandeling voor een bepaalde periode thuis te blijven en niet te gaan werken. Als werkgevers willen dat hun werknemers sneller terug komen werken, dan moeten ze aandacht hebben voor die lage weerbaarheid.”

 

Tijdens uw ziekte bleef u schrijven. Hoe hielp het schrijven van uw boek u in het omgaan met de realiteit?

“Als gevolg van de borstkanker lag ik ontzettend in de knoop met mijn identiteit. In daden bleef ik schrijfster, en dat was een enorme houvast voor mezelf. De maatschappelijke rol van schrijfster en docente wil echter ook zeggen dat je naar buiten treedt, lezingen geeft, enz. Ik bleef gemaakte afspraken zo veel mogelijk nakomen, maar dat kostte me wel enorm veel discipline en zelfbeheersing.”

“Ik heb van nature veel zelfvertrouwen, maar door de borstkanker kreeg die een enorme deuk. Ik voelde me zeer onzeker en kwetsbaar. Ik herinner me na een lezing dat ik niet wilde dat men een foto van me maakte. Ik wilde me wegstoppen. Dat werd ervaren als arrogant, omdat men niet wist wat er aan de hand was. Oordeel dus nooit te snel.”

 

U beschrijft regelmatig hoe anderen reageerden op uw ziekte. Hoe kunnen naasten of vrienden volgens u het best steun geven? En wat moeten ze vooral niet doen?

Ik heb jaren gewacht vooraleer een mammografie te laten maken. Ik wilde me verzetten tegen ‘de dictatuur van de angst’. Wel, dat was verkeerd van mij.

“Ik denk dat het heel belangrijk is dat je tijd maakt en echt aandacht geeft aan die persoon. Ik vond het verbijsterend dat veel mensen gewoon over zichzelf of over de kanker van anderen begonnen te praten. Ik wilde echter maar over één kanker praten: die van mezelf. Weinig mensen zijn in staat om actief te luisteren. Ze komen met hun eigen verhaal of vullen zelf in wat de ander voelt en meemaakt.”

“Het volstaat niet om te vragen hoe het met die persoon gaat of om eens te vragen wat je kan doen. Doe effectief iets. Neem contact op en laat weten dat je er wil zijn. Dat kan zo simpel zijn als mijn buurman die me soep bracht, mijn bovenburen die de bladeren in mijn tuin bijeenharkten. Je kunt iemand uitnodigen om samen naar de film te gaan of een wandeling te maken. Door iets leuks te doen en een kwalitatieve invulling aan je tijd te geven, duw je iemand niet meteen in de rol van een patiënt. Op een bepaald ogenblik zal het gesprek dan eventueel wel gaan over die kanker, maar dat hoeft niet het uitgangspunt te zijn.”

 

Hoe moeilijk was het om uw leven in de handen van de dokters te leggen? Was u bang om de controle te verliezen?

“Het is cruciaal om een oncoloog te vinden die je vertrouwt. Er is heel wat te doen over de patiënt die te allen tijde de controle moet kunnen hebben, maar dat vind ik onzin. Hoe kan je de controle houden wanneer je onder narcose bent? Bovendien zijn het onderzoek en de behandeling van borstkanker zo gespecialiseerd dat je niet anders kan dan vertrouwen op diegenen die er dagelijks mee bezig zijn.”

“Maar ik ben wel iemand die veel behoefte heeft aan controle. Ik wilde absoluut Kristien blijven en zeker niet gereduceerd worden tot mijn kanker. Doordat ik hier continu tegen vocht en me sterk probeerde te houden, gaf ik ongetwijfeld soms verkeerde signalen. Onder die ‘sterke’ mens zat immers ook een kwetsbaar iemand. Tegelijk ben ik door die behoefte aan controle ook een grote voorstander van euthanasie. Ik vind dat je je leven moet kunnen afronden wanneer je het niet meer ziet zitten.”

 

Voor u de diagnose kreeg, heeft u enkele jaren gewacht om een mammografie te laten maken. Dit deed u om u te verzetten tegen de ‘dictatuur van de angst’, zo zegt u zelf. Zou u dit nog steeds doen?

“Dat was totaal verkeerd van mij. Niemand moet dus mijn voorbeeld volgen. Helaas ervaren veel mensen een grote drempel om een mammografie te laten maken, net zoals bij een colonoscopie tegen darmkanker. Ik denk dat we ons vaak als een struisvogel gedragen: kop in het zand.”

 

Na de ziekte zegt u ‘Het voelt alsof ik dood ben geweest, en vervolgens verrezen.’ Heeft het u en uw blik op het leven veranderd?

“Je kan er onmogelijk onveranderd uitkomen. Bij mij heeft het in ieder geval het besef van de tijdelijkheid van de dingen vergroot. Iedere dag en ieder uur kunnen je laatste zijn. Soms kan je je afvragen waar mensen mee bezig zijn wanneer ze elkaar puur voor wat geld ‘de duvel aandoen’. Die mensen beseffen gewoon niet hoe tijdelijk ons bestaan is. Alles in de natuur verandert voortdurend, ook de cellen in ons lichaam. Dat moeten we aanvaarden.”

“Mijn blik op sommige dingen is dus wel degelijk veranderd. Mede daarom ben ik ambassadrice geworden van ‘Pink Ribbon’. Dankzij mijn eigen ervaring weet ik nu immers hoe belangrijk het is dat vrouwen zich laten onderzoeken én dat patiënten kunnen praten over hun ziekte.”